Het vraidaggenaovundverhaol

Heel lang geleden , toen een dikke mist boven de Donge hing en schepen als spoken over het water gleden, voer een klein, blauw geverfd Frans schip De Blaauwe Schoit over de wateren. Aan boord stond een man met een driekante steekhoed, zijn blik strak op de horizon gericht. Zijn naam was Napoleon, een generaal die te eigenwijs was voor de keizer en te trots om terug naar Frankrijk te varen, niet wetende dat hij onderweg  was naar een bijzondere ontdekking.

Maar het noodlot sloeg toe. Een storm, heviger dan het dorp ooit had gezien, rukte het schip uit koers. Het dreef, tollend als een dronkaard, de rivier op tot het vlak voor de kade van Raamsdonksveer te pletter sloeg. De dorpelingen, voornamelijk schippers, vissers en Biesboscharbeiders zagen de brandende boot en renden naar het water. Terwijl ze probeerden het schip te redden, waren het de kinderen van Raamsdonksveer die het eerste bij Napoleon waren. Ze sleepten hem met hun kleine handjes uit het water, brachten hem naar de dichtstbijzijnde schuur en zorgden voor warmte.

Toen Napoleon bijkwam keek hij met verbaasde ogen naar zijn jonge redders. ENFANTS! fluisterde hij met een grote glimlach, mijn redders!

Napoleon bleef weken lang in Raamsdonksveer en maakte met zijn enfants een nieuwe blauwe schuit. Maar bovenal maakte hij veel vrienden en hij leerde dat vrolijkheid en samen feesten veel belangrijker zijn dan eer en macht.

Toen het lente werd en het water weer rustig stroomde, besloot Napoleon verder te trekken. Op de ochtend van zijn vertrek verzamelde het hele dorp zich bij de haven van Raamsdonksveer. De kinderen waren allemaal vrolijk en verkleed in gekke kostuums.

‘Jullie zijn geen gewone enfants, geen gewone kinderen. Jullie zijn mijn Faante. Ik zal jullie weer zien en noem mijn blauwe schuit naar jullie, mijn kinderen. Vanaf nu heet mijn schip D’n Blaauwe Faant’.

Hij stapte op zijn schuit en voer de mist in.

—————————————————————————————————————————

 

En Napoleon hield woord. Eens per jaar wanneer de carnavalsklokken het vrijdaggenaovundlied luiden en carnaval begint, keert hij terug. Omdat in Raamsdonksveer in een zeker jaar de haven werd gedempt, moest het schip worden vervangen door een heuse scheepskar. Het schip op wielen heette nog steeds D’n Blaauwe Faant en hobbelde nu over de met kinderkopkes bezaaide straten van Raamsdonksveer. Napoleon was trots op dat straatwerk, want toen hij ooit voor het eerst in het dorp was, waren er nog geen wegen. Overal in het land had hij wegen aangelegd. In Raamsdonksveer had hij de kinderkopkes er zelf in gelegd.  Er werd zelfs gefluisterd dat hij liever stratenmaker dan keizer was geworden. Als blijk van waardering was de Keizersdijk bovendien naar hem genoemd. Het straatwerk kwam hem met zijn Blaauwe Faant nu goed van pas .

Doordat Napoleon elk jaar met carnaval terug kwam leerde hij de Faante steeds beter kennen. Het was hem opgevallen, dat de Faante niet zo gemakkelijk enthousiast meededen. Hij vond ze zelfs een beetje lui. En dat maakte hem soms boos. Als hij weer zo’n luilak langs de kant van de weg zag slenteren riep hij: ‘Hee lapswans wat loop jij daar te laanterfaanten. Kom eens in actie. Neem een voorbeeld aan de schippers van jullie dorp en aan de vissers. Dat zijn harde werkers, zij zijn altijd bezig, zijn trots op hun dorp Raamsdonksveer èn die willen tenminste samen een feestje vieren’.  ‘Vooruit ga je omkleden. Trek je mooiste carnavalspak aan. Kom op de  Blaauwe Faant, met zo veel mogelijk Faante, want niks is mooier dan een schip vol carnavalvierende Faante’.  ‘Kom aan boord, kom op de Blaauwe Faant. Dan zitten we gezellig allemaol in ut zelfde schutje’.

Zo begon ook dit jaar het carnaval en schipper Dingeman, die met rood-wit-groene sjaal om aan het roer van de Blaauwe Faant stond, begon ondertussen al wat langzamer te varen, toen hij zag dat er verklede mensen aan boord wilden komen. Een man van wie het hele dorp wist dat ie altijd alles op zijn elfendertigst deed had zich heel toepasselijk verkleed als slak. Hij was de eerste die aan boord werd getrokken. ‘Hoi’, zei hij. ‘Ik heb mezelf verkleed als slak en noem mezelf met carnaval Hendrikus Slek’. Amper was Hendrikus Slek aan boord of een tweede als Muis verklede Faant werd ingescheept. Hoewel hij als muis verkleed was, speelde hij de rol van fietsenmaker. Toen de mensen die aan de kant stonden zagen dat er al een paar Faante op de Blaauwe Schoit waren gestapt, kregen ze ook steeds meer zin om mee te doen. ‘Kom op Faante oitschaaie mee dè gedrets, we gaon d’n hort oep’ riep schipper Dingeman. ‘Oitschaaie mee dè gedrets. D’n hort oep? Wat betekent dat allemaol’, vroeg Napoleon zich af. ‘Dè is plat Fers’, zei schipper Dingeman. ‘Dat verstaan ze alleen in Raamsdonksveer’. Toevallig stond er een schooljuffrouw aan de kant, die had gehoord dat Napoleon de Veerse taal nog niet zo goed verstond. ‘Misschien kan ik helpen met het vertalen van de Ferse taal’, riep ze naar schipper Dingeman, die inmiddels was aangemeerd. Zo gezegd zo gedaan. Even later zat juffrouw Dolle, want zo werd ze door de mensen in het Faantelaand genoemd, naast Napoleon om hem Veerse woorden te leren. Ze legde hem uit dat een niksnut in het dorp lamstraol wordt genoemd. ‘Een lamstraol dretst gèère mar un bietje aon’, legde ze aan de verbaasde Keizer uit.

Meer en meer Faante stapten aan boord. Een van hen was een man met een grote trom die eruit zag als een zwerver en die Cees heette. Hij stond in het dorp bekend als iemand die altijd een brede glimlach op zijn gezicht had. Dat hij op de boot stapte was mooi meegenomen, want een beetje muziek maakte het al een stuk gezelliger. ‘Ut Fèèr leet daor zo schon te kaike’,  zong hij  onderwijl vrolijk trommelend . En om de Faante aan de kant aan te moedigen mee te varen begon hij nu spontaan het vraidaggenaovundlied te zingen.

 

Vraidaggenaovundlied:             ‘Áommel in ut zellufde schutje’

 

Rafrain:            Hee Faante gaode mee

                        Want ut is aindeluk zo wait

                        Tis carnaval in ut Faantelaand

                        Wier dè onderhaand  gen taid?

                        Zaide un bietje leutig gestoord

                        Spring dan mee gaank bai oos aon boord

                        Tussen de zotten  hutje mutje (oep un kloitje)

                        Zitte in ut zellufde schutje (schoitje)

 

Couplet:           ‘k Heb zin in ut blèère en saome lekker bouwe

                        ‘k Wil gèère saauwulle, ‘k zai nie te houwe

Wai zen wir lang genoeg ut Fèèr gewist 

(‘k Heb ut Faantelaand ontiegelijk  gemist)

                        Dus mee mekaore naor ut allermoiste fist

 

Couplet:           Erst vur de spiegel un hortje staon te proenke

                        In de doos daor leet oe pakske al daoge naor oe te loenke

                        Oe maots staon vur de deur, schiet oewe jas mar heel gaauw aon

                        Dan kande allemaol naor ut Heereplain oep aon

 

Couplet:           Aon boord staot ooze jeugdprins, dan witte dees kom goed

                        En de snotpinne sloite aon en die zien dan hoe ut moet (hoe tie ut doet)

                        Stap mar snel mee zun alle oep oonze kleurraike schoit

                        Want zelfs Steggel……. ja die gaot ‘r ok oep oit.

           

Bij het horen van het vrolijke lied riepen nu zelfs enkele dwarse Faante: ‘ Wacht op ons. Wij gaan thuis onze kiel halen’.  Slechts een enkeling hield de boot nog af. Een man met een platte pet op zijn hoofd die verkleed was als Reiger wilde ook dolgraag mee. ‘Vaar langs mijn kleine huisje zei hij’, want daar zitten nog een heleboel kleine snotpinnekes die ik ook graag mee naar het carnavalsfeest wil nemen’. ‘Een goed idee Reiger’ zei schipper Dingeman. ‘Goed dat je het carnaval er bij je kinderen met d’n papleepul in giet’.

Het gerucht dat er een schip vol carnavalszotten door het dorp voer ging nu als een lopend vuurtje door Raamsdonksveer. Op elke hoek van de straat stonden de mensen enthousiast naar de schuit uit te kijken. Een groep met echte carnavalsfiguren, waaronder een prins, een prinses, kinderen verkleed als olifantjes en zelfs een nar stond bij elkaar aan de Kadepad. ‘Dit wordt mijn dag’, zei de opgewonden prins carnaval toen hij plaats nam tussen de andere schepelingen. ‘Nu zit ik niet ín de kar, maar òp de kar’, zei de nar, die van grapjes hield. Nog voller raakte het schip toen even verderop een wapendrager, een regelèèr, twee dansmariekes en warempel ook nog een jeugdsauwelèèr kenbaar maakten dat ze ook graag mee wilden varen naar het carnavalsfeest. De boot zat nu stampvol. ‘We zitten nu echt hutje mutje’, zei schipper Dingeman. ‘Oep un klutje’, grapte de nar. ‘Maar wel in ut zelfde schutje’, zei de eveneens grappige jeugsauwelèèr. Wat is een saauwelèèr, vroeg Napoleon aan juffrouw Dolle. ‘Dat is iemand die kletspraat verkoopt’, zei juffrouw Dolle, die eigenlijk Nolle heette maar omdat haar neus altijd verstopt was de N als D uitsprak. ‘Waarom verkopen ze kletspraot?’ vroeg de keizer nu. ‘Dat is om de mensen te laten lachen Dapoleon’ zei juf Dolle. ‘Aha, nu snap ik hem pas’, zei Napoleon, die nu in een onbedaarlijk harde lachbui belandde en er bijna in stikte.

De Blaauwe Faant was inmiddels op de Keizersdijk al een aardig eind op weg richting Heereplein toen ook nog iemand verkleed als Putter werd opgepikt. De Putter stapte zo gek als een  mus aan boord.‘Ho wacht even’, riep de Putter, ‘er komt nog iemand aangerend’. En ja hoor, uit een steegje kwam een als Kikker uitgedoste carnavalsvierder, die ook maar wat graag aan boord stapte. Bijna zouden ze een klein snotpinneke die net een grote snotpin onder de neus weg stond te snuiten nog vergeten. Maar gelukkig kon ze met haar natte boerenzakdoek nog net op het nippertje aan boord worden getrokken.

‘Het feest kan beginnen zou ik zeggen’, zei de Kikker. ‘We hebben nu echt alle gekke Faante op het schip zitten. ‘Nee, er ontbreekt er nog eentje’, zei schipper Dingeman stellig. Hij kende alle knotsgekke Faante van heel ut Fèèr en wist zeker dat hij er nog eentje miste. ‘Ik mis Steggel nog’, zei de schipper.

 

 ‘Steggel?’ riep De Kikker verbaast. ‘Steggel? ’Dat is de dwarste Faant van heel Raamsdonksveer, die krijg je echt niet mee naar het carnavalbal’. ‘Nee die gaat vast en zeker niet mee’, zeiden de andere passagiers eensgezind. Ook zij kenden Steggel als de dwarste Faant ooit. Waarom wil je juist hèm erbij hebben Dingeman? Dat zal ik jullie eens uitleggen, zei schipper Dingeman. Ik ken Steggel al heel lang. Niemand weet dat diep in zijn hart Steggel dolgraag carnaval wil vieren, maar hij is te dwars om dat toe te willen geven. Bovendien als alle andere Faante zien dat zelfs Steggel meedoet aan carnaval, willen ze allemaal meedoen. De opvarenden begrepen nu heel goed wat het plan was van schipper Dingeman. Amper waren ze op de Kroispad, de Hoofdstraat ingeslagen of daar zagen ze iemand staan, die níet van plan leek om mee carnaval te gaan vieren. En warempel het was  Steggel. Ze hadden hem in de verte al herkend aan de pet die hij echt heel dwars op zijn kop had staan. Of liever gezegd, de pet stond in de goede richting, maar Steggel stond er zelf dwars onder. ‘We gaan hem gewoon vriendelijk vragen of hij met ons mee wil naar het carnavalsfeest, stelde Napoleon voor. ‘Nee, dan gaat ie juist niet mee, zei Schipper Dingeman die nu liet zien dat hij Steggel niet alleen lang maar ook heel goed kende. ‘Wacht maar’ zei Dingeman, laat dit maar aan mij over. Langzaam stuurde hij De Blaauwe Faant richting Steggel en meerde voorzichtig aan. ‘Hee Steggel’, iedere Faant zegt dat jij niet mee gaat naar het carnavalsfeest, dus wij vèère mar snel dur’, riep Dingeman, die al weer voorzichtig gas gaf.  Iedereen op het schip hield nu zijn adem in en wachtte op antwoord van Steggel. Dat antwoord liet even op zich wachten, maar verraste behalve schipper Dingeman alle Faante op het schip. ‘Wet die Faante aommel zegge, daor heb ik niks mee te maoke. Dè bepaol ik zelf wel’, antwoordde Steggel, terwijl hij zich onderwijl al via de touwladder aan boord trok. Weldra stond hij tussen de andere Faantse zotten, die inmiddels allemaol op een vette, schalkse knipoog van schipper Dingeman werden getrakteerd. Iedereen vond dat Steggel zijn pet gewoon dwars op zijn kop moest laten staan.

De carnavalsvierders op de scheepskar werden nu steeds vrolijker. Ze waren inmiddels allemaal zo gek als een deur. Ze kregen meer en meer zin in carnaval. Als zelfs Steggel al carnaval wilde vieren. Iedereen was blij dat vrijwel niemand de boot had gemist. Nog spannender werd het toen de Blaauwe Faant het Heereplein opdraaide richting de Ouwe Haove. Voor de zoveelste keer werd het Vraidaggenaovundlied ingezet. Alle feestneuzen stonden nu vrolijk lachend dezelfde kant op. De carnavalskriebels joegen nu door de onderbuik van de Faante. Nu kon elk moment het Faantelaandse carnaval echt gaan beginnen. Het aftellen kon beginnen. Luid riepen ze: 11, 10, 9 , 8, 7, 6, 5, 4, 3, 2, 1.